
Er was eens, nog niet zo heel lang geleden en dichterbij dan je denkt, een boselfje. Zij heette Untha en woonde bij haar familie in een grote, oude Ent in het uitgestrekte oerbos Gaia.
Untha was daar erg gelukkig. Ze genoot van het spelen in de nabije omgeving van de Ent. Ze maakte prachtige bloemenboeketjes van de bosanemonen en de bloesems. Ze hield ontzettend veel van zingen. Untha was een zorgeloos boselfje en haar geluk zou volmaakt zijn, als er niet een donkere schaduw over de familie van Untha hing. Untha en haar familie konden namelijk niet vliegen.
Net zoals alle andere boselfjes hadden ze bijzonder mooie doorschijnende vleugels, en als Helios helder aan de hemel scheen, weerspiegelden hun vleugels een prachtig schouwspel van kleuren. Helaas bleek dat deze kunstig gevormde vleugels nutteloos waren. Ze waren beschadigd met krassen en zaten onverklaarbare scheurtjes in de vleugels van Untha en haar familie. Vooral haar ouders leden daar erg onder.
Moeder waarschuwde Untha dat zij een zwaar en ongelukkig leven zou krijgen, net zoals zij zelf. Want boselfjes die niet kunnen vliegen, zijn niet gewenst en geliefd. Untha moest daarom ervoor zorgen dat niemand zag hoe kapot haar vleugels waren. Zij moest extra hard haar best doen om te zorgen dat ze op de Dag van Vertrek er zo normaal mogelijk uitzag, zodat de ontvangende Entenstam niet zou zien hoe waardeloos ze eigenlijk was. Bovendien zou ze hard moeten werken en veel Bewijzen van Vaardigheden moeten halen, misschien zou ze dan aanvaardbaar zijn.
Langzaam veranderde Untha van een zorgeloos spelend boselfje in een bang wezentje, dat zich terugtrok in een ondoordringbaar pantser. Ze lachte weliswaar nog net zo veel als vroeger, maar wie goed keek, zag in haar ogen haar diepe verdriet.
De andere families die in de grote Ent woonden, wist natuurlijk van Het Geheim van Untha en haar familie. Soms vroegen de brutaalsten aan Untha hoe het was om niet te kunnen vliegen. Untha lachte dan en zei dat ze helemaal niks miste. Vliegen, ach, dat was toch niet nodig. Bovendien, ze hield helemaal niet van vliegen!
De Dag van Vertrek brak aan voor Untha. Haar familie had natuurlijk voor een uitgebreid feest gezorgd. Alle families in de Ent waren uitgenodigd. Untha merkte wel dat de andere boselven haar indringend bestudeerden en ze deed haar uiterste best om zo goed mogelijk voor de dag te komen. Ze liet haar prachtige boeketten zien en zong de mooiste liederen. Haar vleugels had ze blinkend opgepoetst. Niemand zag hoe ze van binnen trilde van angst dat haar grote geheim ontdekt zou worden.
Vandaag zou ze de Ent verlaten en op reis gaan, op zoek naar een nieuwe Ent waar ze in zou worden opgenomen. Haar moeder had die ochtend nog vreselijk gehuild. “Arme Untha, wie wil er nu een boselfje in de Ent die niet kan vliegen? Wat moet er van haar worden? “ en ze gaf nog wijze woorden mee aan Untha: Denk erom, niemand mag je geheim te weten komen. Je weet heel goed dat je maar een waardeloze boself bent met nutteloze vleugels. Zorg dat niemand dat ooit ziet! Je denkt dan wel dat je mooi kunt zingen en mooie boeketten kunt maken, maar zodra ze ontdekken dat je niet kunt vliegen, wordt je de Ent uitgegooid.
Het moment van vertrek was aangebroken. Untha nam een grote tas mee met voorraden, gereedschappen, alle Bewijzen van Vaardigheden, waarmee ze zou kunnen aantonen hoe goed ze was en natuurlijk potjes en flesjes balsems en kruidenmengsels om de beschadigingen in de vleugels te camoufleren.
Ze was volledig voorbereid op wat komen zou, slechts 1 ding zou haar kunnen verraden: de kruidenmengsels. Wanneer zij haar vleugels camoufleerde met de mengsels, verdween ook hun kleurrijke schouwspel in het licht van Helios. Untha moest daarom goed in de schaduwen blijven. Dan zou het wel goed komen.
Zo ging Untha op weg. Ze dwaalde zo ver mogelijk weg van haar Ent, omdat ze bang was dat Het Geheim in de andere Enten al bekend zou zijn. Uiteindelijk kwam ze, eenzaam en uitgeput bij een grote Ent die prachtig in blad stond en een zwoele, uitnodigende geur had.
Nieuwsgierig bleef Untha staan. Deze Ent trok haar aan. Untha twijfelde. Zo’n mooie Ent, daar was vast geen plaats voor haar. Dacht ze nu echt dat ze daar welkom zou zijn, met haar kapotte vleugels? Nee, dit was niet haar plekje, maar ze kon hier vast wel even uitrusten.
Untha nestelde zich stilletjes onder een van boomwortels die vanuit de Ent in de aardbodem verdween. Zorgvuldig inspecteerde zij haar vleugels. Je weet maar nooit, had haar moeder gezegd. Je kunt maar beter voorbereid zijn.
Het was een warme namiddag, zachte muziek klonk uit de Ent en Untha, moe als ze was, sluimerde in slaap. Het was al donker toen Untha wakker schrok. Boven haar, op de laagste tak van de Ent zaten een paar boselfjes. Ze keken nieuwsgierig naar beneden. Untha trilde van angst en inspecteerde snel haar vleugels. Gelukkig, niks te zien. En aangezien Helios de wacht had gewisseld met Luna, kon Untha rustig tevoorschijn komen.
Snel haalde ze haar Bewijzen van Vaardigheden tevoorschijn en wapperde ermee naar de andere boselfjes. Voordat zij haar maar iets konden vragen, begon Untha al te vertellen en al pratend klom ze langs de stam naar boven, zodat het niet opviel dat ze niet kon vliegen. De andere boselfjes keken haar verbaasd aan, maar gaven Untha een plekje op de tak.
“Kom toch mee naar boven, naar de Loot. Daar kun je de andere boselfjes zien, het is daar lekker licht en warm!” zei een guitig kijkend boselfje, “ Het is maar een klein stukje hoger, langs de oude Knoest, nog geen 20 Lunatikken vliegen.”
Untha bevroor. “ Nee, dank je,” zei ze, “Ik zit hier prima, ik hoef helemaal niet naar de Loot. Ik hou niet van warmte en licht, bovendien de Loot is voor onontwikkelde boselfjes, niet voor iemand met zoveel Bewijzen als ik.”
De andere boselfjes keken Luna vreemd aan. Ze spreiden zwijgend hun vleugels en Untha zag hoe ze verdwenen in de schaduw van de grote Knoest.
Untha duwde haar tranen weg. Stomme Loot, dacht ze. Wie wil daar nu zijn. En die boselfjes, wie wil daar nu mee in één Ent wonen. Zo bleef Untha die nacht en de daarop volgende dagen en nachten in het onderste deel van de Ent. Soms verstopte ze zich onder de wortels, soms zat ze op de onderste tak, vaak was ze alleen. Soms kwamen er boselfjes langs, maar als ze Untha vroegen mee te komen naar Boven, legde Untha uit dat zij helemaal niet naar Boven hoefde. Uiteindelijk kwamen de andere boselfjes niet meer naar beneden.
’s Nachts, als niemand keek, huilde Untha. Ze begreep dat ze nooit boven zou komen, ze zou nooit weten hoe de Loot eruit zag en waar die prachtige muziek vandaan kwam. Ze zou nooit een echte plek hebben in de Ent.
Een enkele keer probeerde ze hoger te klimmen, maar De Knoest was te groot en te glibberig. Untha kwam er niet langs. Ze vroeg ze af waarom ze nog bleef proberen. Waarom zou ze eigenlijk bij deze Ent willen? Het was maar een stomme Ent, uiteindelijk.
Was het de muziek, of de warme geur? Untha kon zich er niet toe zetten de Ent echt te verlaten. Een vreemde magie leek haar te hebben bevangen. Maar verder dat dan de laagste tak kwam ze nooit.
Op een dag zat er een jong boselfje op de onderste tak. Untha had haar nooit eerder gezien. Het kleine ding had een fluitje mee en een knapzakje met bessen en dauwwater. Untha, blij met wat gezelschap, klom naar de tak en ging naast het elfje zitten. Het was nog geen Luna-era oud, dus Untha voelde zich veilig en vrij. Al snel was Untha aan het zingen en de kleine aan het fluiten.
De dag vloog voorbij en het tijdstip dat Helios met Luna wisselde kwam dichterbij. “Moet je niet naar huis?” vroeg Untha? De kleine, die zich had voorgesteld als Sarih zei stralend: Ik word straks opgehaald!
En inderdaad verschenen er vanachter De Knoest een tweetal boselfjes. Untha keek verbaasd toe hoe zij de kleine Sarih lachend en zingend tussen zich innamen en door de lucht tilden. Bovenaan De Knoest, maakten ze een kleine bocht. Pas toen zag ze de kleine stompjes op de rug van Sarih. Sarih kon niet vliegen!
Die nacht kon Untha niet slapen. Het was alsof haar langzaam iets duidelijk begon te worden. Steeds weer zag ze het blije gezicht van Sarih voor zich. Ze hoorde de vrolijke geluiden van de twee grotere boselven. En toen Helios weer verscheen in Gaia, wist Untha wat haar te doen stond.
Ze klom naar de onderste tak. Ze strekte zich zo lang mogelijk uit en riep: Help mij! Ik wil zo graag naar de Loot. Help mij! Terwijl ze riep, kneep ze haar ogen dicht van angst. Angst dat er niemand zou komen.
Vanuit de Ent klonk gezang en muziek. Vanachter De Knoest kwamen de twee boselven aan, die de vorige avond Sarih hadden opgehaald. “ Wat kunnen we voor je doen?” vroeg de langste. Untha boog beschaamd haar hoofd: “Ik kan niet vliegen,” fluisterde ze, “maar ik wil zo graag naar de Loot! Ik wil naar de warmte, het licht en de muziek. Ik weet dat ik een waardeloze boself ben, dus als jullie mij niet willen, dan..”.
Untha voelde hoe ze onder haar armen werd gepakt. Haar voeten kwamen los van de tak. Angstig keek ze op en ze zag de warmte in de ogen van de Boselven. “Wacht,” riep ze, “ mijn Bewijzen!” Maar de Boselfjes hoorden haar niet en vlogen zingend omhoog, terwijl onder haar de tas met Bewijzen steeds kleiner werd.
Het was onverwacht druk in de Loot. Overal waar Untha keek zag ze boselfjes. Ze waren vrolijk en druk bezig met allerlei taken. Onwennig keek Untha om zich heen. Ze schaamde zich, want ze had al weken geen camouflage meer op haar vleugels gesmeerd, omdat er toch geen andere elfjes waren geweest. Maar omdat niemand naar haar vleugels leek te kijken, werd Untha langzaam aan wat rustiger en ze genoot van de bedrijvigheid om haar heen.
Plots werd het stiller. De elfjes rondden hun taken af, verzamelden zich op het centrale deel van de Loot en vormden een kring. Sarih kwam aangehuppeld en nam Untha bij de arm. Zo werd zij de kring ingeleid.
Untha trilde van angst, toen ze zag dat ze naar het midden werd geleid, daar waar Helios zijn stralen voluit kon laten schijnen door de openingen in het bladerdak van de Ent. Maar haar verlangen won van de angst. Weken had ze in de schaduwen geleefd en tussen de wortels. Ze verlangde zo naar licht en warmte. Liever één keertje in het licht te kunnen staan en verstoten worden, dan te moeten blijven leven in de koude vochtige schaduwen. Moedig stapte ze naar voren.
Ze klapte haar kapotte vleugels uit en voelde hoe Helios stralen haar verwarmden. Ze wist dat de anderen nu konden zien wie ze was, ze had geen Bewijzen van Vaardigheden mee, geen kruidenmengsels. Ze voelde hoe iedereen naar haar keek. Haar hart verkilde ondanks de warme stralen. Ze durfde niet op te kijken en sloot haar ogen.
“Welkom, Untha! We zijn blij dat je jouw weg naar de Loot hebt gevonden!” Een warme stem klonk door de Loot. Untha keek op. “Iedereen, die in het licht van Helios komt staan, is welkom in onze Ent!” zongen honderden boselfjes, als antwoord op de stem. En Sarih pakte Untha bij de hand om met haar te dansen.
Terwijl ze dansten, speelde Helios stralen met Untha’s vleugels, en iedereen zag de krassen en de scheuren. Maar het leek niet belangrijk en tegelijk leek dit het belangrijkste: Zichtbaar te zijn in het Licht.
De muziek, het licht, de warmte, Untha ’s hart ontdooide en ze begreep. Hier waren geen Bewijzen nodig, hier hoefde ze geen kruidenmengsels te gebruiken.
Untha voelde de handen van Sarih en liet zich meevoeren op de muziek. Toen opende Untha haar ogen en keek de kring rond. Al dansend zag ze de warme, welkome ogen van honderden Boselfjes. Dit was haar Ent, hier was ze welkom. Een onbeschrijfelijk gevoel van thuiskomen overviel haar. Het leek een droom. Welkom in deze prachtige, levendige Ent.
Het feest duurde de hele middag. Er was overvloed aan muziek en bloemen, honingkoeken en dauwwater, zoete bessen en geurige noten. Untha was dronken van vrolijkheid en licht. Voldaan van het dansen, met gloeiende wangen keek ze rond en zag wat er altijd al was geweest:
Honderden boselfjes, niet eentje was gelijk. Ze straalden. En als Helios licht op hen viel, zag je het: de stompjes van Sarih, de elf met maar 1 hand, iemand met drie vleugels, een elf met een troebele blik, of een kromme rug, een vlek in het gezicht, vleugels in alle soorten en maten, soms krachtig, soms assymetrisch, soms gescheurd.
Wanneer het nodig was, vroeg de ene boself de andere om hulp. Soms liepen ze samen even naar Helios’ licht en bekeken de beschadiging. Maar nooit werd een elf buitengesloten of genegeerd. En terwijl Helios en Luna de wacht wisselden, dansten de boselfjes in het avondrood.
Untha is niet meer weggegaan uit de Ent. Ze liet zich vaak door de lucht vliegen door andere boselfjes en leerde Sarih zingen en bloemschikken. Zorgeloos was het leven niet, maar ze waren altijd samen, de boselfjes van de Grote Ent, in het stralende licht van Helios.
En ze leefde langer dan ze had durven hopen en gelukkiger dan ze ooit had gedacht.

Comments are closed